
Calligra Sheets beschikt over een groot aantal ingebouwde wiskundige en andere functies die in formules gebruikt kunnen worden. U vindt ze in het menu . U krijgt zo het dialoogvenster Functie.
Selecteer de gewenste formule in de keuzelijst aan de linkerkant. Op het tabblad Help kunt u een beschrijving, het teruggegeven type, de syntaxis, de parameters en voorbeelden voor deze functie zien. Bovendien zijn er op dit tabblad vaak koppelingen naar gerelateerde functies. Klik vervolgens op de knop met de pijl omlaag om de formule in het tekstvak onderin het dialoogvenster te plakken.
Het tabblad Parameters wordt beschikbaar, hier kunt u de parameter(s) voor de formule invullen. U kunt de waarde voor een parameter in het tekstvak op het tabblad Parameters typen. Om een celverwijzing in plaats van een waarde in te vullen klikt u met de muisknop in het tekstvak op het tabblad Parameters en daarna klikt u met de muisknop in de cel op het rekenblad.
In plaats van het tabblad Parameters te gebruiken kunt u celverwijzingen zoals B6
ook direct in het onderste tekstvak in het dialoogvenster Functie intypen. Als een functie meer dan één parameter heeft, moeten deze gescheiden worden door een puntkomma (;).
Klik op om de functie in de huidige cel in te voegen en het dialoogvenster Functie te sluiten.
U kunt formules natuurlijk ook zonder het dialoogvenster Functie gebruiken door de complete formule in de Celbewerker in de formulebalk te typen. De namen van de functies zijn niet hoofdlettergevoelig. Vergeet niet dat alle formules met een = moeten beginnen.
Aan logische functies zoals IF(), AND(), OR() worden parameters meegegeven die de logische (booleaanse) waarde Waar of Onwaar hebben. Deze waarden kunnen geproduceerd worden door andere logische functies zoals ISEVEN() of door het vergelijken van waarden in cellen met behulp van de vergelijkende symbolen, die in de volgende tabel staan.
Symbool | Beschrijving | Voorbeeld |
---|---|---|
== | Is gelijk aan | A2==B3 is Waar als de waarde in A2 gelijk is aan de waarde in B3 |
!= | Is niet gelijk aan | A2!=B3 is Waar als de waarde in A2 niet gelijk is aan de waarde in B3 |
<> | Is niet gelijk aan | Is hetzelfde als A2!=B3 |
< | Is kleiner dan | A2<B3 is Waar als de waarde in A2 kleiner is dan de waarde in B3 |
<= | Is kleiner dan of gelijk aan | A2<=B3 is Waar als de waarde in A2 kleiner dan of gelijk is aan de waarde in B3 |
> | Is groter dan | A2>B3 is Waar als de waarde in A2 groter is dan de waarde in B3 |
>= | Is groter dan of gelijk aan | A2>=B3 is Waar als de waarde in A2 groter dan of gelijk is aan de waarde in B3 |
Als u =IF(B3>B1;"GROTER";"")
in een cel intypt, zal GROTER getoond worden als de waarde in B3 groter is dan de waarde in B1, in andere gevallen wordt er niets getoond.
Als een formule een celverwijzing bevat, wordt deze verwijzing gewoonlijk gewijzigd wanneer de cel naar een ander gedeelte van het werkblad gekopieerd wordt. Plaats een $ vóór de kolomletter, het rijnummer, of beide, om de verwijzing niet te laten veranderen.
Als A1 de formule
=D5
bevat en naar B2 gekopieerd wordt, zal de formule gewijzigd worden in=E6
(standaard).Als A1 de formule
=$D5
bevat en naar B2 gekopieerd wordt, zal de formule gewijzigd worden in=D6
(de kolomletter wordt niet gewijzigd).Als A1 de formule
=D$5
bevat en naar B2 gekopieerd wordt, zal de formule gewijzigd worden in=E5
(het rijnummer wordt niet gewijzigd).Als A1 de formule
=$D$5
bevat en naar B2 gekopieerd wordt, zal de formule=D5
blijven (noch de kolomletter, noch het rijnummer wordt gewijzigd).
Wanneer u een celverwijzing in een formule intypt of bewerkt, kunt u met de sneltoets F4 deze vier mogelijkheden laten rouleren.
Benoemde cellen kunnen op een soortgelijke manier gebruikt worden om een statische celverwijzing in een formule op te nemen.