Eerst bekijken we variabelen, daarna hoe we daar waarden aan kunnen toewijzen.
Variabelen zijn woorden die met een “$” beginnen, in de codebewerker worden ze met paars geaccentueerd.
In een variabele kan elk getal, tekenreeks of booleaanse waarde (waar/onwaar) worden bewaard. Met behulp van de toewijzing, =, kan de variabele zijn inhoud krijgen. Die inhoud blijft hierin aanwezig, totdat het programma eindigt, of als de variabele een andere waarde krijgt.
Variabelen, mits met inhoud, kunnen in de plaats van hun inhoud worden gebruikt. Zie bijvoorbeeld het volgende stukje TurtleScript:
$x = 10 $x = $x / 3 print $x
Eerst krijgt de variabele $x de waarde10. Daarna krijgt $x een nieuwe waarde, van zichzelf, gedeeld door 3 — dit betekent dus dat $x daarna de waarde 10 / 3 heeft. Tenslotte wordt $x afgedrukt (op het scherm). In regels 2 en 3 zie je dat $x in de plaats van zijn inhoud wordt gebruikt.
Variabelen meten een waarde hebben gekregen voordat ze kunnen worden gebruikt. Bijvoorbeeld:
druk $n
zal een foutmelding geven.
Beschouw het volgende stukje TurtleScript:
$a = 2004 $b = 25 # Het volgende commando drukt "2029" af druk $a + $b achteruit 30 # Het volgende commando drukt "2004 plus 25 is gelijk aan 2029" af print $a + " plus " + $b + " is gelijk aan " + ($a + $b)
In de eerste twee regels krijgen de variabelen $a en $b de waarden 2004 en 25. Daarna volgen twee druk-opdrachten met daartussen in een achteruit 30. In het commentaar voor de druk- opdrachten wordt uitgelegd wat er gebeurt. Zoals je ziet worden variabelen precies zo gebruikt als hun inhoud, je kunt ze met elke soort bewerkingen gebruiken, of als invoer voor opdrachten.
Nog een voorbeeld:
$naam = vraag "Hoe heet je?" print "Ha die " + $naam + "! Veel plezier met het leren programmeren..."
Tamelijk recht zo die gaat. Ook hier kun je zien dat de variabele $naam precies als zijn inhoud, een tekenreeks, wordt gebruikt.
Bij het gebruik van variabelen is de inspectie erg nuttig. Hierin kun je de inhoud zien van alle huidige variabelen.